Besluit van 22 maart 1991, ter uitvoering van
artikel 932, vierde lid, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek
(Besluit laad- en lostijden en overliggeld in
de binnenvaart 1991 [Versie geldig vanaf: 01-01-2002])
Geschiedenis: Staatsblad 1998, 25;Staatsblad
2001, 415
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie
van 30 november 1990, Stafafdeling Wetgeving
Nieuw B.W. nr. 37745/690, mede namens Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 932, vierde lid, van Boek
8 van het Burgerlijk Wetboek;
Gezien het advies van de Adviescommissie Goederenvervoer,
bedoeld in artikel 6 van de Wet Goederenvervoer
Binnenscheepvaart (Stb. 1951, 472);
De Raad van State gehoord (advies van 22 januari
1991, nr. W03.90.0610);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 15 maart 1991, Stafafdeling Wetgeving
Nieuw B.W., nr. 48297/91/6 mede namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. werkdag: alle kalenderdagen, met uitzondering
van de zondag en de daarmede gelijkgestelde
dagen;
b. de met de zondag gelijkgestelde dagen: de
Nieuwjaarsdag, de Christelijke Tweede Paas-
en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag,
de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt
gevierd en de door de regering geproclameerde
nationale feestdagen;
c. verplaatsing: de in kubieke meters uitgedrukte
waterverplaatsing van een binnenschip tussen
het vlak van inzinking van het ledige vaartuig
in zoet water en het vlak van de grootst toegelaten
diepgang;
d. motorschip: een binnenschip, bestemd voor
het vervoer van zaken en ingericht om door middel
van één of meer eigen werktuiglijke
voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen met
inachtneming van het bepaalde in onderdeel e;
e. sleepschip of duwbak: elk binnenschip niet
vallend onder d, alsmede een binnenschip voorzien
van één of meer eigen werktuiglijke
voortstuwingsmiddelen, die uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend worden aangewend voor verhaalwerkzaamheden
of voor besturing;
f. laadplaats: de gemeente, waar moet worden
geladen;
g. losplaats: de gemeente, waar moet worden
gelost;
h. laadplek: de plek binnen de laadplaats, waar
moet worden geladen;
i. losplek: de plek binnen de losplaats, waar
moet worden gelost;
j. ton: duizend kilogram lading.
Artikel 2
Tenzij anders is overeengekomen, gelden voor
reisbevrachtingen tot vervoer van zaken in de
binnenvaart de volgende bepalingen.
Artikel 3
1. Kennisgevingen van laad- of losgereedheid
als bedoeld in artikel 930, eerste lid, en artikel
933 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek kunnen
uitsluitend op werkdagen tussen 09.00 uur en
18.00 uur geschieden, met dien verstande dat
zij op zaterdagen slechts kunnen worden gedaan,
indien de vervrachter op de werkdag voorafgaande
aan de zaterdag, vóór 17.00 uur
heeft aangekondigd het voornemen te hebben bedoelde
kennisgeving op zaterdag te doen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 931,
vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek
doen kennisgevingen de laad- of lostijd ingaan
aan het begin van het eerste tijdvak, bedoeld
in artikel 5, eerste lid, van de werkdag, die
als eerste volgt op de werkdag waarop de kennisgeving
van laad- of losgereedheid is gedaan.
Artikel 4
1. Het aantal laaddagen bedraagt, indien de
te vervoeren zaken een gewicht hebben van:
| 550 ton of minder |
2 |
| meer dan 550, doch niet meer dan 1500
ton |
3 |
| meer dan 1500, doch niet meer dan 2600
ton |
3½ |
| meer dan 2600 ton |
4 |
2. Het aantal losdagen bedraagt, indien de
vervoerde zaken een gewicht hebben van:
| 550 ton of minder |
2 |
| meer dan 550, doch niet meer dan 1000
ton |
3 |
| meer dan 1000, doch niet meer dan 1500
ton |
3½ |
| meer dan 1500, doch niet meer dan 2000
ton |
4 |
| meer dan 2000, doch niet meer dan 2600
ton |
4½ |
| meer dan 2600 ton |
5 |
3. Het gewicht van de te vervoeren zaken wordt
bepaald door de vervoerovereenkomst of, indien
deze niet voldoende gegevens bevat, door andere
bewijsmiddelen.
4. Het gewicht van de vervoerde zaken wordt
bepaald door het cognossement of, indien dit
ontbreekt of niet voldoende gegevens bevat,
door andere bewijsmiddelen.
Artikel 5
1. Elke dag heeft een werktijd van twaalf uren.
Tenzij bij plaatselijke verordening anders is
bepaald, vangt de werktijd aan om 06.00 uur
en eindigt zij om 18.00 uur en is zij verdeeld
in twee tijdvakken, lopend van 06.00 uur tot
12.00 uur en van 12.00 uur tot 18.00 uur. Als
halve laad- of losdag telt elk tijdvak van werkdagen,
die, afgezien van tussenliggende zondagen en
de daarmede gelijkgestelde dagen, op elkaar
volgen.
2. De vervrachter is verplicht gelegenheid te
geven tot laden en lossen gedurende de nacht
op voorwaarde dat hem een verzoek tot laad-
of losgereed houden heeft bereikt vóór
18.00 uur daaraan voorafgaand. Desgevraagd wordt
de vervrachter schriftelijk mededeling van een
dergelijk verzoek gedaan.
3. De vervrachter is niet verplicht gelegenheid
te geven tot laden en lossen op zondagen en
de daarmee gelijkgestelde dagen. Voor het laden
en lossen op deze dagen is uitdrukkelijke toestemming
van de vervrachter vereist.
4. Indien voor de aanvang of na het einde van
de werktijd, bedoeld in het eerste lid, wordt
geladen of gelost, dan telt elk der tijdvakken
van 00.00 uur tot 06.00 uur, of van 18.00 uur
tot 24.00 uur, waarin wordt geladen of gelost,
als een halve laad-, los- of overligdag.
5. Doet een omstandigheid als voorzien in het
vierde lid zich voor op een werkdag, waaraan
een zondag of een met de zondag gelijkgestelde
dag is vooraf gegaan, dan telt het tijdvak van
00.00 uur tot 06.00 uur, waarin wordt geladen
of gelost als een gehele laad-, los- of overligdag;
doet deze omstandigheid zich voor op een werkdag
waarop een zondag of een met de zondag gelijk
gestelde dag volgt, dan telt het tijdvak van
18.00 uur tot 24.00 uur, waarin wordt geladen
of gelost als een gehele laad-, los- of overligdag.
6. Indien bij de aanvang van een tijdvak, als
bedoeld in het vijfde lid, nog slechts een halve
laad- of losdag beschikbaar is, wordt het tijdvak,
waarin wordt geladen of gelost, slechts als
een halve overligdag geteld.
7. Indien op een zondag of een met de zondag
gelijkgestelde dag wordt geladen of gelost,
dan gelden voor deze dag dezelfde regels als
voor een werkdag, terwijl daarnaast aan de vervrachter
een aparte vergoeding verschuldigd is ten bedrage
van de helft van het overliggeld voor een dag
met betrekking tot elk der tijdvakken van 00.00
uur tot 06.00 uur, van 06.00 uur tot 12.00 uur,
van 12.00 uur tot 18.00 uur en van 18.00 uur
tot 24.00 uur, waarin wordt geladen of gelost.
8. Elk in dit artikel genoemd tijdvak, waarin
wordt geladen of gelost, wordt als een geheel
tijdvak aangemerkt, ook al is slechts gedurende
een gedeelte van het tijdvak geladen of gelost.
9. Met laden of lossen in de zin van dit artikel
wordt gelijk gesteld het zich op verzoek van
de bevrachter of ontvanger daartoe gereedhouden.
Artikel 6
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5 telt,
voorzover de bevrachter of ontvanger het schip
ophoudt nadat de laad- of lostijd, als bedoeld
in artikel 4, is verstreken, elk tijdvak van
zes uren, als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
als een halve overligdag en is met betrekking
daartoe een vergoeding verschuldigd, gelijk
aan de helft van het overliggeld per dag.
2. Het overliggeld bedraagt voor elke overligdag:
a. voor motorschepen: een vast bedrag van EUR
49,92, vermeerderd met EUR 0,26 per m3 van de
verplaatsing.
b. voor sleepschepen en duwbakken:
1e. indien de verplaatsing van het schip minder
dan 600 m3 is, een vast bedrag van EUR 68,07,
vermeerderd met EUR 0,10 per m3 van de verplaatsing;
2e. indien de verplaatsing van het schip 600
m3 of meer is, een vast bedrag van EUR 127,97,
vermeerderd met EUR 0,09 voor elke m3 boven
600 m3 van de verplaatsing.
3. Voor de berekening van het overliggeld worden
een halve m3 en een gedeelte van een m3, groter
dan een halve m3, voor een gehele m3 gerekend
en wordt een gedeelte van een m3, kleiner dan
een halve m3, verwaarloosd.
4. Het overliggeld per tijdvak of per dag wordt
afgerond op hele centen, waarbij een halve cent
wordt afgerond naar boven.
Artikel 7
1. Indien op meerdere plekken of plaatsen moet
worden geladen of gelost, geldt de kennisgeving,
bedoeld in artikel 930, eerste lid, en artikel
933 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, voor
alle betrokken bevrachters of ontvangers gezamenlijk
en wordt, onverminderd het bepaalde in artikel
932 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, de
totale laad- of lostijd overeenkomstig het bepaalde
in artikel 4, eerste en tweede lid, bepaald
op basis van het totaalgewicht van de te vervoeren
onderscheidenlijk vervoerde zaken.
2. In de gevallen, bedoeld in dit artikel, wordt
het voor elke bevrachter of ontvanger beschikbare
gedeelte van de totale laad- of lostijd vastgesteld
in de verhouding van het gewicht van de voor
hem te vervoeren of vervoerde zaken tot het
totale gewicht van de te vervoeren of vervoerde
zaken.
3. Voor zover een bevrachter of ontvanger het
voor hem beschikbare gedeelte van de laad- of
lostijd overschrijdt, is hij voor elk uur overschrijding
een vergoeding verschuldigd, gelijk aan een
vijfde gedeelte van het overeenkomstig artikel
6 vastgestelde overliggeld per tijdvak, tot
een maximum, gelijk aan het overliggeld per
bedoeld tijdvak.
4. Indien voor één bevrachter
of ontvanger op meerdere plekken of plaatsen
moet worden geladen of gelost, wordt de laad-
of lostijd of de overligdagen geschorst gedurende
het varen naar een volgende laad- of losplaats.
5. Indien voor meerdere bevrachters of ontvangers
op meerdere plekken of plaatsen moet worden
geladen of gelost, wordt de laad- of lostijd
of de overligdagen geschorst gedurende het varen
naar een volgende laad- of losplek en gedurende
het varen naar een volgende laad- of losplaats.
6. Een schorsing als bedoeld in het vierde en
vijfde lid gaat in aan het einde van het uur
waarin het laden of lossen op de ene plek of
plaats is beëindigd en duurt, indien het
tijdstip van aankomst op de volgende plek of
plaats tussen 06.00 uur en 18.00 uur valt, tot
het einde van het uur waarin het tijdstip van
aankomst op de volgende plek of plaats valt,
ook indien reeds voor het einde van dat uur
wordt begonnen met het laden of lossen.
Indien het tijdstip van aankomst op de volgende
plek of plaats niet valt tussen 06.00 uur en
18.00 uur, eindigt de schorsing in ieder geval
om 06.00 uur van de eerstvolgende werkdag na
het tijdstip van aankomst.
7. In de gevallen bedoeld in het vijfde lid
is de vervrachter verplicht om bij aankomst
op de ene plek of plaats onverwijld de bevrachter
of ontvanger op de eerstvolgende plek of plaats
in kennis te stellen van die aankomst.
Voorts is de vervrachter verplicht zijn vertrek
naar de volgende plek of plaats aan de bevrachter
of ontvanger als bedoeld in de eerste zin van
dit lid zo tijdig te berichten, dat deze de
nodige maatregelen kan treffen. In elk geval
mag de vervrachter niet later berichten dan
bij de beëindiging der belading of lossing
op de voorafgaande laad- of losplaats.
Artikel 8
Op de termijnen genoemd in dit besluit is de
Algemene termijnenwet niet van toepassing.
Artikel 9
Het Koninklijk besluit van 7 februari 1952 (Stb.
63) wordt ingetrokken.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip
waarop Boek 8 NBW in werking treedt.
Artikel 11
Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit
laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart
1991".
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift
zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 22 maart 1991
Beatrix
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. R. H. Maij-Weggen
Uitgegeven de achtentwintigste maart 1991
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin